Orgels Tobias Heinrich Gottfried Trost

'Om een beter inzicht te geven in het werk van Tobias Heinrich Gottfried Trost zal ik, alvorens een analyse te plaatsen van zijn orgels, van een aantal toonaangevende instrumenten de dispositie plaatsen.'

Jolanda


Tobias Heinrich Gottfried Trost

Tobias Heinrich Gottfried Trost werd tussen 1679 en 1681 geboren in Halberstadt als zoon van Johann Tobias Gottfried Trost (1651-1721) en Anna Dorothea Thüm († 1703). Hij was leerling van zijn vader, die het orgelbouwvak bij Christian Förner(1609-1678), een vooraanstaand orgelbouwer uit Weißenfels, leerde. Zijn grootvader Johann Caspar Trost (voor 1600-1676) was musicus en schrijver van 'Ausführliche Beschreibung dess neuen Orgelwercks auf der Augustus-Burg zu Weissenfels worinnen zugleich enthalten, was zu der Orgelmacher Kunst gehöre ... .' Nürnberg, W.M. Endter, 1677.

In 1704 trad Trost in Tonna (Gräfentonna), waar hij zijn werkplaats had, in het huwelijk met Susanna Catharina Schweinefleisch († 1749). In 1705 bouwde Trost zijn eerste orgel. In 1718 verhuisde hij naar Mockern, in 1722 naar Altenburg, waar hij in 1723 een 'privilegienstreit' aanging met Johann Jacob Donati (1663-1732) om de Hoforgelbouwerspositie in Altenburg welke benoeming hij ontving op 23 november van datzelfde jaar, en eveneens van het hertogdom Saxe-Gotha-Altenburg, door Gutachten van Gottfried Silbermann. Trost behield deze privilege tot zijn dood. Zijn twee grootste instrumenten zijn de orgels in Waltershausen (1722-1740) en Altenburg (1735-1739). Het Altenburgse instrument, in 1737 gekeurd door Gottfried Silbermann en in 1739 Johann Sebastian Bach en Johann Adolf Scheibe, werd lovend ontvangen. Johann Ludwig Krebs was van 1756 tot 1780 als organist aan de Schlosskirche verbonden.

Trost was een van de belangrijkste 18e eeuwse orgelbouwers die Thüringen kende. Zijn instrumenten tonen een buitengewoon modern concept, aansluitend op de Empfindsamkeit en de galante stijl in de orgelmuziek. Bijzondere elementen van de Trost-orgels zijn de vele 8-voets grondstemmen (volgens J.F. Agricola karakteriserend voor de orgels van Trost), strijkregisters, terts-mixturen en transmissies. In het vervaardigen van pijpwerk ging Trost tot uitersten, zo werd bijv. de Viola di Gamba 8' in zeer enge vorm gemensureerd om het origineel van de strijkinstrumenten te benaderen. Daarnaast ontwikkelde hij speciale technieken voor het vervaardigen van tongwerken, maakte gebruik van bijzondere materialen, zoals bij de fluit 2', de Unda maris en de Vugara. Adlung roemt zijn materialen:

'Sie ist nicht allein wegen der vortrefflichen Materialen, welche alle auf Herzogliche Kosten angeschaffet worden, [...] vor manchen anderen Orgeln schätzbar.'

De fluitregisters worden - zoals bij Trosts meeste orgels - tot 2'-hoogte gedisponeerd. Zijn grotere orgels hebben pedaaltransmissies waarvan de stemmen afkomstig zijn van het hoofdwerk; om dit te realiseren ontwikkelde Trost een windkoppel (Hauptwerk naar Pedal).

Van de 15 nieuwbouwinstrumenten die Trost vervaardigde behoorden 1 drieklaviers orgel, 4 tweeklaviers orgels en 6 eenklaviers instrumenten. Daarnaast werkte hij mee aan 11 restauraties en vervaardigde hij 7 dispositieontwerpen. Van deze orgels zijn er 4 bewaard gebleven (Großengottern, Waltershausen, Eisenberg, Altenburg).

Vanwege de kostbare materialen die werden gebruikt voor de bouw van zijn instrumenten heeft Trost, net als Gottfried Silbermann, weinig verdiend aan het orgelbouwvak. Tijdgenoten bewonderden zijn werk, desondanks werd hij vaak bekritiseerd vanwege zijn werkplanning en opleveringstermijn. Belangrijke leerlingen van Trost waren Adam Gottlob Casparini, Johann Jacob Graichen, Johann Nikolaus Ritter en zijn zwager Johann Christian Immanuel Schweinefleisch.