De zit aan het instrument

De houding achter het klavier wordt door Johann Sebastian Bachs tweede zoon Carl Philipp Emanuel in zijn boek Versuch über die wahre Art das Clavier zu spielen als volgt besproken:

'Ein Clavierist muß mitten vor der Tastatur sitzen, damit er mit gleicher Leichtigkeit so wohl die höchsten als tiefsten Töne anschlagen könne.' C. Ph. E. Bach schrijft in zijn klavierschool eveneens dat bij een goede klaviertechniek het voorste deel van de arm iets naar beneden hangt: 'Hängt der Vordertheil des Armes etwas weniges nach dem Griffbrete herunter, so ist man in der gehörigen Höhe.'. 

Daniel Gottlob Türk (1750-1813), die in de leer is geweest bij  J.S. Bachs leerling Gottfried August Homilius, voegt daar in zijn Klavierschule uit 1789 iets meer duidelijkheid aan toe door aan te geven dat de elleboog merkbaar, dat is enige 'duim', hoger staat als de hand. (1 duim is 2.54 cm.):

'daß der Elbogen merklich d.h. einige Zoll höher ist, als die Hand.' 

Het gewicht van de vinger is bij genoemde techniek zeer licht, bovendien is de oppervlakte van het tastpunt gering, hetgeen leidt tot een zeer doorzichtig toucher.

Aan de Midden-Duitse orgels ten tijde van Bach kon deze houding  gemakkelijk worden toegepast omdat de orgelbank gemiddeld 10 cm. hoger stond dan dat men vandaag aan de dag gewend is (terwijl de mensen relatief gezien kleiner waren). 

(Ook wordt door deze hoogte van de orgelbank de pedaaltoets vanuit een hogere voetstand ingedrukt; het spelen met de punt van de voet geeft een directer toucher; hak-gebruik is, alleen met gebruik van een hoge hak, beperkt mogelijk).